Klassiek ballet

KLASSIEK BALLET GEEFT KINDEREN PERSOONLIJKHEID...

EEN COMBINATIE VAN MUZIEK, TECHNIEK EN FANTASIE.

 

In de balletles ontwikkelt een kind naast zijn lichamelijke conditie ook zijn persoonlijkheid. Het leert zijn verbeeldingskracht te uiten. Dit is belangrijk. Niet omdat het kind een kunstenaar moet worden, maar omdat zo zijn karakter gevormd wordt. De dans is een middel bij uitstek om de lichamelijke groei, het gevoel- en denkontwikkeling, de muzikaliteit en de creativiteit tezamen te bevorderen.

 

In de balletles worden techniek en improvisatie apart behandeld maar deze twee zijn wel met elkaar verweven. De techniek is bedoeld om kracht, lenigheid, houding, conditie en concentratie te verbeteren. De improvisatie is bedoeld om voorstellingsvermogen en fantasie te stimuleren en in beweging om te zetten. Het kind leert bijvoorbeeld zelf een choreografie te maken en dit aan een publiek te presenteren. Het leert plezier te ervaren in beweging en dans en remmingen te overwinnen. Het gaat zich lekkerder voelen in zijn lijf. Het leert gevoel te krijgen voor ruimte en vorm. Het kind maakt kennis met verschillende aspecten van muziek, zoals frasering, ritme, sfeer, stemmingen, en leert hoe het deze moet omzetten in dans. Het kind leert ook samen te werken en rekening te houden met anderen. Het hoeft zich niet te meten met anderen, al zal het dat vaak toch doen. Het gaat er niet om wie de diepste plié of de hoogste sprong kan maken.

 

Iedereen, dik of dun, stijf of lenig, oud of jong, ongeacht zijn lichaamsbouw of leeftijd kan deze techniek leren. De een zal zich echter makkelijker en beter bewegen dan de ander. In ieder geval is het wel zo dat kinderen de techniek makkelijker aanleren dan volwassenen. Kinderen kunnen vanaf hun vierde jaar al op ballet, maar pas vanaf hun achtste jaar, als de botvorming ver genoeg gevorderd is, krijgen zij les in de klassieke techniek. Daarvoor is het veel belangrijker dat een kind goed en recht kan staan en dat knieën, voeten en rug de juiste kracht krijgen.

 

Spitzen

Amateurballet onderwijs is in principe niet bedoeld om leerlingen voor te bereiden op een beroepspraktijk. De spitzentechniek bijvoorbeeld is erg moeilijk en niet ieders voeten zijn daar geschikt voor, ze moeten sterk zijn en een hoge wreef hebben. Het vergt veel kracht van enkels en beenspieren om het lichaam op spitzen in evenwicht te houden. Een uur per week balletles is veel te weinig om die vereiste kracht te ontwikkelen.

 

Dansacademie

Niettemin kunnen de amateurballetlessen als een opstapje tot een beroepspraktijk dienen. Kinderen die talent hebben (plus natuurlijk de benodigde wilskracht) om een dansopleiding te gaan volgen, kunnen jaarlijks auditie doen. Deze auditie is bestemd voor kinderen vanaf tien jaar. In dit geval zijn Het Koninklijk Conservatorium te Den Haag en de Rotterdamse Dansakademie de dichts bijzijnde vakopleidingen. Na een succesvolle auditie volgt een oriëntatiecursus en daarna een jarenlange vooropleiding alvorens ze aan de vakopleiding kunnen beginnen.

 

Vergelijking van dans met sport

Naast enkele overeenkomsten bestaat er een wezenlijk verschil tussen dans en sport. Sport is een fysieke aangelegenheid met het doel de eigen prestaties te verbeteren of die van een ander te overtreffen. Dans is in eerste instantie een geestelijke aangelegenheid; een taal, gesproken door het lichaam, waarmee gevoelens, gedachten en spanningen tot uitdrukking worden gebracht. Nog een verschil is dat wanneer een sporter in actie is de inspanning die hij moet leveren duidelijk zichtbaar is (bijvoorbeeld een verwrongen gezichtsuitdrukking). Bij een danser is de inspanning onzichtbaar, die wordt verdoezeld. Een danser moet altijd doen alsof er geen zwaartekracht bestaat, alsof hij niets beweegt. Een overeenkomst tussen sport en dans is dat prestatie door lichamelijke inspanning een bepaalde lust opwekt. Voor beide geldt ook dat de techniek 'slechts' een middel is en niet een doel.


Het klassiek ballet kent de volgende posities:

  • Parallel - hierbij staan de voeten parallel (naast elkaar) tegen elkaar aan geplaatst.
  • 1e positie - de hielen tegen elkaar terwijl de benen (en dus ook de voeten) zijn uitgedraaid.
  • 2e positie - de 1e positie, waarbij men naar buiten schuift (zodat er ongeveer 1 voet tussen zou kunnen).
  • 3e positie - de balletdanser schuift de ene hiel in de wreef van de andere voet, hierbij zijn beide benen even ver uitgedraaid.
  • 4e positie - de balletdanser doet de 5e positie en schuift 20 cm naar voren.
  • 5e positie - voorste voet sluit de balletdanser aan de achterste. Beiden voeten staan soms parallel aan elkaar, de enige juiste 5de positie is deze positie wanneer de balletdanser zich niet forceert.

Meestal wordt de derde positie alleen gebruikt bij de wat jongere ballerina's en wordt het bij de wat oudere overgeslagen en doet men direct de 5de positie. De derde positie wordt wel veel gebruikt in de folkloristische dans.

De schuine stand van de voeten (bij alle posities behalve parallel) maakt het mogelijk om zeer snel naar voren of opzij te stappen/springen.

Professionele dansers zijn in de les bijna altijd vrijwel 180 graden uitgedraaid. Veel strenge balletleraren leren studenten om de uitdraai toch een beetje te forceren.